Bij klussen bepaalt niet alleen de machine hoe goed het werk lukt. Ook de boor, bit, schijf of het zaagblad moet passen bij het materiaal en de bewerking. Een krachtige boormachine met een ongeschikte boor kan alsnog vastlopen of een rafelige opening maken. Door hulpstukken bewust te kiezen, werk je met meer controle en verklein je de kans op beschadigingen aan je werkstuk.
Waarom moet een hulpstuk bij zowel het gereedschap als het materiaal passen?
Een hulpstuk werkt alleen goed als de aansluiting, toegestane snelheid en snijvorm passen bij de machine én het materiaal dat je bewerkt.
Controleer daarom meer dan alleen de productnaam. Een boor kan geschikt zijn voor beton, maar een aansluiting hebben die niet in jouw boormachine past. Een zaagblad kan op de as passen, terwijl de diameter of het toegestane toerental ongeschikt is. De handleiding van de machine en de markeringen op het hulpstuk zijn hierbij leidend.
Veel schroefbits hebben een zeskantige aansluiting van 1/4 inch, oftewel 6,35 mm. Dat is de maat van de schacht, niet van de schroefkop. Bij een boorkop met een opgegeven spanbereik van 1,5 tot 13 mm moet de schachtdiameter binnen dat bereik vallen. Dat betekent niet automatisch dat je met die machine ook ieder materiaal tot 13 mm kunt doorboren.
Welke boor gebruik je voor hout, metaal en steen?
Gebruik een houtboor voor hout, een metaalboor voor metaal en een geschikte steen- of betonboor voor minerale materialen.
Een houtspiraalboor heeft meestal een centreerpunt die helpt om de boor op zijn plaats te houden. Voor een nette uitgang leg je een reststuk hout strak achter het werkstuk. Klem beide delen vast, zodat de boor bij het doorbreken minder gemakkelijk vezels lostrekt. Een speedboor maakt grotere gaten, maar geeft doorgaans een grovere afwerking.
Bij metaal hangen toerental en smering af van de metaalsoort en de boordiameter. Een boor van 10 mm vraagt bij dezelfde snijsnelheid ongeveer de helft van het toerental van een boor van 5 mm. Gebruik geen universeel toerental voor alle boormaten. Zet het werkstuk vast en verwijder spanen met een borstel, niet met je vingers.
Steen en beton vragen eveneens om onderscheid. Voor beton is vaak een boorhamer met bijpassende betonboor nodig; zachtere steen kan een andere aanpak vereisen. Schakel de klopstand niet zomaar in bij tegels of kwetsbaar metselwerk. Voor een gat haaks op een vlak oppervlak houd je de booras onder een hoek van 90 graden ten opzichte van dat oppervlak.
Hoe kies je een bit die de schroefkop niet beschadigt?
Kies een bit waarvan zowel het profiel als de maat exact overeenkomt met de uitsparing in de schroefkop.
Twee kruisvormige schroefkoppen kunnen op elkaar lijken en toch een verschillend bitprofiel nodig hebben. Een bijna passende bit raakt slechts een deel van de uitsparing. Onder belasting kan hij eruit schieten, waardoor de kop afrondt. Probeer de passing daarom eerst zonder draaiende machine: de bit moet volledig insteken en weinig speling hebben.
Houd de machine in het verlengde van de schroef en begin met een lage snelheid. Heeft de schroefmachine een instelbare slipkoppeling, start dan laag en verhoog stapsgewijs. De cijfers op die koppeling zijn doorgaans standen, geen universele waarden in newtonmeter. Stand 10 op de ene machine hoeft dus niet dezelfde kracht te leveren als stand 10 op een andere.
Waar let je op bij zaagbladen en slijpschijven?
Let bij zaagbladen en slijpschijven op materiaalgeschiktheid, afmetingen, aansluiting, draairichting en het maximaal toegestane toerental.
Bij zagen telt daarnaast de vertanding. Fijnere tanden geven doorgaans een nettere snede, terwijl grovere tanden meer ruimte bieden om spanen af te voeren. De juiste keuze hangt ook af van de materiaaldikte en de zaagrichting. Gebruik voor plaatmateriaal, massief hout en metaal dus niet automatisch hetzelfde blad.
Een slijpschijf van 230 mm hoort niet op een machine die voor schijven van maximaal 125 mm is ontworpen. Verwijder nooit de beschermkap om een grotere schijf passend te maken. Het maximale toerental op de schijf moet minstens gelijk zijn aan het maximale machinetoerental. Gebruik een doorslijpschijf bovendien niet voor zijdelings afbramen, tenzij de fabrikant die toepassing uitdrukkelijk toestaat.
Schuurmiddelen kiezen op basis van de afwerking
Ook bij schuren moet het hulpstuk bij de klus passen. Voor onbehandeld hout kan een reeks van bijvoorbeeld P80, P120 en P180 een bruikbaar uitgangspunt zijn: eerst oneffenheden verminderen, daarna de schuurkrassen verfijnen. De vereiste eindkorrel hangt af van de houtsoort en de afwerking die je daarna aanbrengt.
Controleer bij machinaal schuren ook de maat, bevestiging en positie van de stofgaten. Verkeerd uitgelijnde gaten verminderen de stofafzuiging. Maak ten slotte een proefbewerking op een reststuk van hetzelfde materiaal. Zo beoordeel je de combinatie van machine, hulpstuk en instelling voordat je het zichtbare werkstuk bewerkt.